Sla links over

Hoofdinhoud

Vrouw en gemeente - De verlegenheid voorbij?

vrouw en gemeentevrijdag 30 september 2011 16:00

Verlegenheid met theologische kwesties als de vrouw in het ambt leidt vaak tot ambivalente praktijken. Hoe neem je de gemeente mee in besluitvorming rondom dit soort onderwerpen?

Uit mijn eerste gemeente herinner ik me een situatie waarbij er sprake was van een aanzet tot gesprek rondom de positie van de vrouw. Echter, op het moment dat we het proces serieus aangingen, kwam er een brief van gemeenteleden. Als dit gesprek er zou komen, zouden zij als leden bedanken. Het zorgvuldig luisteren naar de Schrift in een gezamenlijk proces van gebed en bezinning, wees voor hen al in de richting van een ontkenning van het gezag van de Schrift. In andere gemeenten die eveneens spraken over dit thema kwam men wel tot een aantal conclusies. De ambivalentie die ik daar bespeurde lag vooral in het feit dat ze vervolgens niet de praktische vertaalslag konden maken. Een derde punt van moeite betreft het leiderschap in gemeenten. Leiders durven soms de discussie niet aan uit angst voor hun eigen positie of ze zijn amper in staat zijn het bijbels-theologische gesprek te voeren.

Familiekerk

Evangelische en baptistengemeenten hebben in dit soort discussies ook vaak last van hun eigen kerkbeeld. Een sterke nadruk op het familiekarakter typeert het evangelische kerkbeeld. De eenheid wordt afgemeten aan de mate waarin de broers en zussen in de gemeente het met elkaar eens zijn en dezelfde mening hebben over specifieke onderwerpen.

In onze kringen is in de omgang met dit thema nauwelijks sprake van een dubbelspoor waarin we enerzijds werken aan een helder beleidskader op basis van concrete afspraken en anderzijds grondige Bijbelse bezinning op gang brengen. De pijn die het op zou leveren willen we liever niet aangaan. Gevolg is dat de verlegenheid dikwijls leidt tot ambivalente praktijken in gemeenten. Enerzijds is het vrouwen niet toegestaan het Woord te verkondigen, anderzijds zijn ze intensief betrokken bij het geestelijk opvoeden en begeleiden van kinderen in de gemeente. Vrouwen kunnen geen oudsten zijn, maar vormen wel een pastoraal team dat de pastorale zorg voor haar rekening neemt.

Kernvragen

In de hele discussie speelt een aantal zogenaamde hermeneutische kernvragen een grote rol. Het zijn deze vragen die de leesbril vormen waardoor we naar de teksten uit de Bijbel kijken en die voor een groot deel bepalend zijn voor de praktijk in de gemeente. Samengevat luiden ze als volgt:

1) Leidt de Heilige Geest de kerk zo, dat er inzichten kunnen ontstaan die concrete voorschriften van het Nieuwe Testament een andere uitwerking of toepassing geven? Anders gezegd: moeten we voorschriften van het Nieuwe Testament op een of andere manier ‘vertalen’, voordat we ze kunnen toepassen in onze tijd? Of blijven voorschriften van Nieuwe Testament vandaag rechtstreeks toepasbaar?

2) In hoeverre bevat de Bijbel richtlijnendie helpen bepalen voor welke thema’s zo’n rechtstreekse toepasbaarheid al of niet het geval is?

3) Hoe moeten we het beoordelen dat christenen die zichzelf zien als bijbelgetrouw, uitkomen bij heel verschillende opvattingen over de verhouding man-vrouw in de kerk? Wijst dit er op dat de Bijbel geen concrete uitspraken doet over de uitwerking die aan Bijbelse richtlijnen omtrent de taken en talenten van vrouwen en mannen in onze tijd gegeven moet worden?

Kernpunt van deze vragen is de vraag naar de gekwalificeerde toepasbaarheid van bijbelteksten. In de beantwoording en uitwerking van deze vragen sleutels liggen naar een grote verscheidenheid aan praktijken. In relatie tot deze hermeneutische kernvragen kunnen we ook een aantal argumentatielijnen benoemen waarlangs het bijbels-theologische discours zich voltrekt.

Argumentatielijnen Vrouw en kerk

Lijn A: Blijvende scheppingsorde [1]

In deze argumentatielijn staat het begrip ‘scheppingsorde’ centraal. De onderlinge relatie tussen de man en de vrouw wordt bepaald door de prioriteit voor de man boven de vrouw. De door de breuk van de zonde aangetaste verhoudingen tussen beiden worden in Christus hersteld, heiliging leidt dan tot de hernieuwde validering van de scheppingsorde waarin de man leidend en beschermend optreedt, de vrouw als volgend persoon.

Lijn B: Herstelde gelijkheid [2]

In deze lijn van argumenteren speelt het begrip ‘herstelde gelijkheid’ een centrale rol. Man en vrouw zijn geschapen om elkaar vanuit een volledige positie aan te vullen. Hoewel deze gelijkheid door de zondeval is verstoord wordt deze hersteld in Christus. Op grond daarvan is er geen sprake meer van hiërarchie of dominantie van de man over de vrouw of omgekeerd. Mannen en vrouwen zijn in Christus één.

Lijn C: Blijvende geldigheid van teksten/voorschriften uit het Nieuwe Testament

In deze lijn van denken komt de culturele inbedding van de tekst sterk naar voren, waarbij de toepassing in onze tijd mogelijk is en voorop staat. Onderzoek naar de situatie waarin teksten geschreven werden werkt verhelderend om een antwoord op de toepassingsvraag te kunnen geven.

Lijn D: Een door de Geest geleide toepassing

God gaat een weg met zijn volk en doet dit door de eeuwen heen op verschillende wijzen. Geboden uit het verleden kunnen strijdig zijn met zijn bedoeling hier en nu. Onderzoek naar de motivatie van de geboden toen zal helpen om hier en nu de reikwijdte van de geboden te bepalen. De Geest wijst de weg en biedt ruimte om tot nieuwe inzichten te komen die leidend zijn voor de kerk van vandaag.

Lijn E: Verlegenheid

De Bijbel geeft helemaal geen duidelijke aanwijzingen over de relatie man en vrouw in de gemeente. Hier en nu moeten we zoeken naar Gods wil voor de gemeente. Duidelijk wordt dat deze denklijn zich sterk kan identificeren met Lijn D.

(Bron: Rapport deputaten GKV ‘M/V in de kerk’ (2008)

Lenzen

Nu terug naar onze situatie. We stellen vast dat de bestaande praktijk niet bevredigend is. Er is grote verlegenheid rondom het thema en we willen graag goede keuzes maken die de eenheid van de gemeente bevorderen. Het model dat hierbij behulpzaam kan zijn is dat van de praktisch theoloog Richard Osmer [3]. Hij zegt dat we de situatie het beste door vier lenzen kunnen bekijken.

Lens 1: Wat is er aan de hand? – een beschrijvende empirische lens.

Deze lens helpt ons om informatie te verzamelen die het mogelijk maakt om patronen en verschillende visies en meningen te verzamelen en te ordenen. Het biedt ons zicht op de geschiedenis van omgang met vrouwen en hun taken in de gemeente. Osmer typeert deze vorm van kijken als priesterlijk luisteren. Vaak betekent dit goed onderzoek doen naar een aantal facetten van de situatie waarin een gemeente zich bevindt. Goed observeren en even afstand nemen in de conflictueuze situatie kan buitengewoon helpend zijn.

Lens 2: Waarom is dit aan de hand? – een interpreterende lens.

Met de tweede lens kijken we nog iets verder dan onze ‘empirische neus’ lang is. Het komt er op aan om ook op zoek te gaan naar goede verklaringen van de ontstane situatie. Waarom speelt dit nu eigenlijk zo sterk in ons midden in onze gemeente? De geschiedenis van een specifieke gemeente heeft altijd impact op de wijze waarop zij met moeilijke thema’s omgaat. De kernvraag bij het gebruik van deze lens is dus: welke theorieën zijn er om te verklaren wat ik heb aangetroffen in mijn gemeente?

Lens 3: Wat zou er aan de hand moeten zijn? – een normatieve of normerende lens.

Als christelijke gemeente kunnen we niet om de normering van ons leven heen. Hoe gaan we als christelijke gemeente hiermee om? Nu wordt het weer even spannend want deze lens moet grondig benut worden. Het betreft een specifieke manier van kijken waarbij onze ethiek, onze bijbels-theologische opvattingen en een verkenning van onze christelijke tradities (of die van andere kerken in dit verband) op elkaar betrokken worden tot één geheel. We vergeten –zeker als evangelische gemeenten- vaak de traditie te raadplegen. Hoe is men in de kerkgeschiedenis eigenlijk omgegaan met deze vraagstukken? Wat was daarin leidend? Hoe kunnen we daaruit in samenspel met onze eigen uitleg van de Bijbel een normatieve richting vormen? Gaan we evenwichtig om met de teksten waarop we bouwen of zijn we erg selectief? Het komt er bij het gebruik van deze lens op aan profetisch onderscheidingsvermogen te ontwikkelen.

Lens 4: Hoe zouden we kunnen reageren op de situatie? – een strategische of praktische lens.

Ten slotte is er de strategische of praktische lens. We moeten niet alleen concluderen welke richting de Bijbel ons wijst, maar we moeten ook de moed hebben om onze visie die we ontwikkelen vorm te geven in concrete praktische besluiten. Hiervoor is dienend leiderschap een absolute voorwaarde.

De praktische theologie reikt op deze wijze een instrument aan om een bezinningsproces op gang te brengen. Het is niet helpend om enkel en alleen over de betekenis van de teksten te spreken met elkaar. Door een procesmatige verankering van de vier lenzen in een bezinningstraject kan op een evenwichtige wijze vorm gegeven worden aan gesprek en het samen zoeken naar een nieuwe praktijk.

Dr. René Erwich
Directeur Evangelische Theologische Hogeschool (CHE). Universitair hoofddocent praktische theologie ETF (Leuven)

Dit artikel is ingekort overgenomen uit IDEA 1-2010, magazine van de Evangelische Alliantie over missionaire gemeenteopbouw. Kijk op www.ea.nl/idea

[1] Kernteksten: 1 Kor..11, 1 Tim.2 en Gen.2.
[2] Kerntekst: Gal.3.
[3] Richard R.Osmer, Practical Theology. An Introduction. (Grand Rapids, 2008)

Labels
Gemeenteopbouw > Leiderschap > Visie en Beleid
Kerk & Samenleving > Theologische & ethische vraagstukken > Vrouw en gemeente

« Terug naar Home

Archief > 2011 > september