Sla links over

Hoofdinhoud

Geestelijke vrijheid als kern van de mensenrechten

maandag 02 januari 2012 13:56

De godsdienstvrijheid staat onder druk. In dit artikel wordt betoogd dat geestelijke vrijheid aan de basis staat van onze mensenrechten.

Vragen over de vrijheid van godsdienst kunnen vanuit verschillende achtergronden ontstaan. Ouders vragen zich af welke vrijheden ze hun kinderen kunnen toestaan, werkgevers worden geconfronteerd met een diversiteit aan religieuze feestdagen, en kerken worstelen met de grenzen van interne onenigheid. In dit artikel wil ik me echter concentreren op vraagstukken waar godsdienstvrijheid gerelateerd is aan de overheid.

De eerste vrijheid

Godsdienstvrijheid vertoont problemen omdat religie niet een los aspect is van het menselijk bestaan: het is niet simpelweg het aanbidden van God of een afgod. Het omvat ook altijd de vrijheid van gedachte, de vrijheid van vereniging en de vrijheid van meningsuiting. Godsdienstvrijheid moet met andere woorden worden gezien als de belangrijkste vrijheid en vormt zodoende de kern van de mensenrechten. Als godsdienstvrijheid niet wordt beschermd, loopt elke andere vrijheid gevaar. Omdat godsdienst de fundamentele vormgever is van het menselijk leven, betekent godsdienstvrijheid de blootstelling van het menselijk leven aan het vormende, ingrijpende karakter van godsdienst: dit brengt kosten met zich mee, wat de reden is dat het vaak wordt ingeperkt.

Israël

De wet van Mozes schrijft voor dat afgodendienaars de doodstraf verdienen. De reden hiervoor is de relatie van afgoderij met andere handelingen. Gods oordeel kwam voort uit de wijze waarop Israëlieten hun levens leefden, niet hun formele liturgie als zodanig. Deze nadruk was tevens gekoppeld aan de speciale roeping van Israël. De geboden waren gericht aan ‘Jullie’: de bevelen werden gegeven aan het volk Israël als Gods uitverkoren volk. Israël was geroepen om een bijzonder volk te zijn, met een politieke en sociale orde die gebaseerd was op het geloof en vertrouwen in Jahweh. Een structuur die onmiddellijk zou worden verstoord als andere religieuze levenswijzen zouden binnendringen[1]. Niettemin werden de omringende volken vrijgelaten in het volgen van hun eigen religies. De goddelijke vrijheid om het gemeenschappelijke geloofsleven te structuren was niet alleen toebedeeld aan Israël, maar ook aan alle andere volken. Tegelijkertijd werden deze andere geloofsovertuigingen en –praktijken vaak betiteld als onjuist.

Vreemdelingenwet

Deze vrijheid was verder uitgebreid naar vreemdelingen die in Israël woonachtig waren. De in Exodus 22:20 aangekondigde doodstraf voor Israëlieten die andere goden aanbaden, wordt in de daaropvolgende verzen gevolgd door een ‘vreemdelingenwet’: “Vreemdelingen mag je niet uitbuiten of onderdrukken, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte” (22:21,23:9). De grond van Israëls tolerantie voor vreemdelingen moet gezocht worden in Israëls eigen ervaring met het vreemdelingenbestaan. De in Egypte opgedane ervaringen bewerkstelligden een samenlevingsstructuur in Israël waarbinnen vreemdelingen toestemming hadden hun geloof te praktiseren. Er was wel een belangrijke uitzondering, die de regel lijkt te bewijzen, zo lezen we in Leviticus: “Wanneer een Israëliet of een vreemdeling die in Israël woont een van zijn kinderen aan Moloch offert, moet hij ter dood gebracht worden” (20:2). In dit specifieke geval had de doodstraf ook betrekking op vreemdelingen, omdat het brengen van kinderoffers behoorde tot de aanbidding van Moloch. Na de intocht in Kanaän werd de Israëlieten op dezelfde wijze opgedragen de woonachtige volken niet te vernietigingen of met dwang te bekeren; een tolerantie die doorsloeg in het veelvuldig aangaan van onderlinge huwelijken[2]. Alleen als de joodse levenswijze beschermd was, konden andere godsdienstige praktijken vrijheid tegemoet zien.

Politieke en priesterlijke functies

De geboden tegen het aanhangen van valse godsdiensten werden verder ontwikkeld in de vroege historie van Israel, waarin politieke en priesterlijke functies aanvankelijk nauw met elkaar verweven waren. Toen politieke en priesterlijke elementen zich geleidelijk ontwikkelden als afzonderlijke vormen kwam er meer tolerantie voor vreemdelingen die andere godsdiensten praktiseerden. Hoe dan ook, Israëls doel strekte zich niet tot een algemene poging tot het uitdrijven van afgodendienst onder niet-joden.

Nieuwe Testament

In het Nieuwe Testament komt godsdienstvrijheid minder aan bod, simpelweg omdat het als een vanzelfsprekend gegeven lijkt te worden beschouwd. Het crossculturele karakter van het nieuwe heidense en joodse christendom, in combinatie met de opdracht tot missionair getuigen was kennelijk gegrondvest in de aanname dat mensen vrij zijn in hun geloof. De kerk was nu tevens losgekoppeld van nationale, etnische en met name territoriale banden – “noch Jood, noch Griek” – waardoor de uitsluiting van gelovigen van een specifiek grondgebied geen basis had[3]. Het was de kerk, meer dan een specifiek land of grondgebied, die drager was van het christelijk geloof.

Twee Rijken: pausen en keizers

Naarmate de kerk zich verspreidde, zochten de Latijnssprekende kerken in het westen (in tegenstelling tot enkele Grieks- en later Slavisch-sprekende kerken in het oosten) naar de precieze rol van de kerk en die van de politieke orde. De twee werden beschouwd als gescheiden lichamen, zelfs in de tijd dat Constantijn het christendom vastlegde als officiële religie van het Romeinse Rijk[4]. De twee rijken van sacerdotium (“kerk”) en regnum (“staat”) begonnen zichtbaar te worden. Er waren dus twee autoriteitscentra in de samenleving, en geen van beide kon tot de ander gereduceerd worden. Van een splitsing tussen religie en politiek was echter geen sprake. Beide autoriteitscentra werden gezien als goddelijke instituties. Met gescheiden functies en taken, maar beide onder het gezag van God.

Deze opdeling van het Christendom in twee rijken kende grote en langdurige gevolgen. Niettemin was het verre van duidelijk wat de juiste grenzen en relatie tussen kerk en staat zouden moeten zijn. Het was meer een kader waarbinnen mensen vragen stelden over bijvoorbeeld de paus of de keizer, dan dat er daadwerkelijk een duidelijk antwoord werd gegeven. We moeten ons wel herinneren dat het, zelfs met de beste wil van de wereld, een bijzonder moeilijk probleem is. Denk eens na over de vraag, “Wie heeft het hoogste gezag in een conflict tussen kerk en staat?” [5]. In de praktijk was er in veel gevallen niet de beste wil van de wereld. Pausen en keizers vochten over de verdeling, beiden zoekende naar meer macht en controle ten aanzien van de ander.

Meest revolutionaire gebeurtenis

Ondanks deze voortslepende conflicten droeg de verdeeldheid tussen de twee rijken bij aan de latere ontwikkeling van religieuze tolerantie (en van vrije samenlevingen en, ook, democratie) in het westen. George Sabine schreef terecht: “De opkomst van de christelijke kerk, die als een aparte institutie gerechtigd was om onafhankelijk van de staat de geestelijke zaken van de mensheid te beheren, mag met reden beschouwd worden als de meest revolutionaire gebeurtenis in de geschiedenis van West-Europa, met betrekking tot zowel de politiek als het politieke denken.” [6]

Het was niet dat de kerken of het politieke systeem godsdienstvrijheid direct hebben bepleit: vaak niet zelfs. Joden en ketters werden gemarginaliseerd en vervolgd, en de inquisities werden gesteund. Mensen waren echter wel altijd in de overtuiging dat er duidelijke grenzen zouden moeten zijn, en ze worstelden eeuwenlang hoe deze te definiëren. Dit hield in dat de kerk, met welke hang naar maatschappelijke onderwerping dan ook, altijd heeft moeten erkennen dat er vormen van politieke macht bestaan die niet door haar beoefend kunnen en moeten worden. Tegelijkertijd heeft de politieke orde, met welke drang naar sociale controle dan ook, altijd moeten erkennen dat bepaalde onderdelen van het menselijk leven om noodzakelijke en terechte redenen buiten haar bereik lagen. Hoezeer de grenzen van kerk en staat waren vertroebeld en bebloed, er was een voortdurend besef dat de politieke orde niet geïdentificeerd kon worden met zingevingsvraagstukken; dat de geestelijke kern van het menselijk leven, en de autoriteit die dit belichaamde, een rijk was buiten de burgerlijke controle om. Het is met politiek leiders als met Pontius Pilatus: hij wordt altijd geconfronteerd met ‘een andere koning’. Het hoofdingrediënt in deze ontwikkeling was niet in de eerste plaats een doctrine of een expliciete roep om vrijheid. Het was bovenal een blik op de verschillende functies van verschillende instituties. Dit perspectief doordrong de cultuur met de overtuiging dat politieke en geestelijke rechtsgebieden gescheiden en gelimiteerd waren in hun autoriteit en dat dat altijd zo zou moeten blijven.

Onpartijdige overheid

Het voor de wet gelijk behandelen van verschillende religieuze lichamen en levensbeschouwelijke instanties moet niet gezien worden als een compromis met een christelijke visie op de moderne staat. Het ís een christelijke visie op de moderne staat. Het vermindert niet het waarheidsgehalte van het christelijk geloof (of van een ander geloof) om die gelijkheid voor de wet te hebben. Het laat simpelweg zien dat overheidsambtenaren een specifieke, gelimiteerde taak bezitten. Hun taak is om recht te doen aan alle mensen binnen de landsgrenzen, ongeacht wie deze mensen zijn en wat ze geloven [7]. Principieel gezien is een staat die gevormd is door bijbels geloof niet bevoegd om speciale voorrechten uit te delen aan welke religieuze groep dan ook.

Godsdienstvrijheid onder druk

Ondanks de centrale positie van godsdienstvrijheid wordt haar betekenis in seculiere kringen regelmatig ontkend en in veel gevallen zelfs genegeerd, vaak omdat het belang van religie wordt ontkend. Zoals Edward Luttwak schreef: “Beleidsmakers, diplomaten, journalisten en wetenschappers die met gemak economische causaliteiten overdrijven, die geneigd zijn sociale differentiaties te ontleden, en die op minutieuze wijze politieke voorkeuren categoriseren, hebben nog altijd de gewoonte om de rol van religie buiten hun verklarende, politieke beschouwingen te laten.” [8] Er zijn tevens wijdverbreide tendensen om religie te behandelen als een product van etniciteit of psychologie, of als een bijkomstigheid van armoede, economische veranderingen en spanningen van de moderne tijd. Natuurlijk spelen deze factoren een rol, geen onderdeel van het menselijk leven is buiten de invloed van welk ander onderdeel ook. Maar te vaak komen we een a priori methodologisch commitment tegen om religie te behandelen als secundair, als een vergankelijk en te herleiden fenomeen dat kan worden verklaard, maar dat nooit wordt gebruikt als verklarend uitgangspunt. Godsdienstvrijheid zelf wordt daardoor ook te vaak behandeld als herleidbaar tot iets anders en dus secundair.

Religie als centrale factor

In tegenstelling tot deze bijziendheid moeten we juist blijven omgaan met religie als een belangrijke, onafhankelijke factor in de politiek en in andere aspecten van het menselijk leven en opkomen voor de vitale rol van godsdienstvrijheid binnen de mensenrechten en de democratie. Religieuze overtuigingen hebben betrekking hebben op diepgewortelde overtuigingen en kunnen conflicten daardoor inderdaad onhandelbaar maken (compromissen over religie zijn moeilijker te sluiten dan die over land of water). Maar deze legitieme zorg leidt te vaak tot een stilte rondom levensbeschouwelijke aspecten, zelfs bij diegenen die haar invloed onderkennen. Religieuze zaken worden door sommigen niet benoemd uit angst dat hun terechte uitspraken conflicten zullen oproepen. Religieuze conflicten en onderdrukkingen zullen echter niet verdwijnen als we er simpelweg over zwijgen. Godsdienstvrijheid is historisch gezien de eerste vrijheid in de ontwikkeling van de mensenrechten, en heeft vaak meer te maken met de ontwikkeling van de democratie dan politieke activiteiten zelf. Daarom dient godsdienstvrijheid centraal te staan in onze politiek.

SAMENVATTING

- Levensbeschouwelijke vrijheid moet worden gezien als de belangrijkste vrijheid
- De scheiding van kerk en staat ontwikkelde zich met de opkomst van het christendom
- Het belang en de zelfstandigheid van de factor ‘religie’ dient te worden erkend.

Paul Marshall
Verbonden aan het Hudson Institute als senior fellow van het Center for Religious Freedom. Hij publiceerde vele boeken over religieuze vrijheid. Dit artikel is vertaald uit het Engels door Pieter Felten.

Met toestemming overgenomen uit Denkwijzer 2010/2, pagina 4-7, www.christenunie.nl

Kernwoorden: Godsdienstvrijheid, gewetensvrijheid, staat & kerk

[1] F.F. Bruce omschrijft dit als “practical monotheism” in zijn Israel and the Nations (Grand Rapids: Eerdmans, 1963).
[2] Rechters 3:1 lijkt te impliceren dat andere volken werden ‘vrijgelaten’ door God om zo het volk Israël te testen.
[3] De loskoppeling van de kerk van een bepaald grondgebied verdient meer aandacht dan het doorgaans krijgt. Veel verhandelingen van christelijk-sociale ethici maken te snel een vergelijking tussen het ethische gemeenschapsleven in Israël en de huidige situatie in onze landen, zie Walter Brueggeman, The Land: Place as Gift, Promise and Challenge in Biblical Faith (Philadelphia: Fortress, 1977). Dit fenomeen is vaak een communalisme waarbij het stammenvolk Israël als norm wordt verheven voor onze modern politieke structuren, resulterend in een pleiten voor een soort tribaal socialisme. Als we het Israëlische leven als norm zouden willen overnemen, dan zouden we niet alleen de economische, maar ook de godsdienstige en politieke normen moeten kopiëren, met alle gevaarlijke gevolgen voor godsdienstvrijheid van dien.
[4] Het Christendom werd in deze periode politiek intolerant. Mijn bedoeling is hier niet om de kerkelijke praktijken in deze periode te verdedigen, maar de diverse omstandigheden aan te stippen waarbinnen godsdienstvrijheid zich steeds meer kon profileren. Een complete geschiedenis van godsdienstvrijheid dient de kwalijke periods natuurlijk ook aan te stippen. Toch heeft de kerk het niet zo slecht gedaan als veel critici menen. Zie hierover bijvoorbeeld Edward Peters, Inquisition (New York: Free Press, 1988).
[5] Om meer te lezen over de knelpunten rondom de verzoening van verschillende visies op godsdienstvrijheid, zie Keith Pavlischek, John Courtney Murray and the Dilemma of Religious Toleration (Jefferson City: Thomas Jefferson University Press, 1999).
[6] History of Political Theory (New York, 1961), 180. David Little voegt toe, “ik zou die stelling talloze malen onderschrijven” in zijn Religion, Order and Law (New York; Harper, 1969), 36. Zie ook Henry Kissinger, “Restraints on government derived from custom, not constitutions, and from the universal Catholic Church, which preserved its own autonomy, thereby laying the basis – quite unintentionally – for pluralism and democratic restrains on state power that evolved centuries later,” Does America Need a Foreign Policy? (New York: Simon and Schuster, 2001), 20-21. Voor stukken die suggereren dat dit niet per ongeluk gebeurde, zie Brian Tierney, Religion, Law and the Growth of Constitutional Thought, 1150-1650 (Cambridge: Cambridge University Press, 1982).
[7] Natuurlijk zijn er sommige religieuze uitingen die ingeperkt zouden moeten worden.
[8] Zie Luttwak’s “The Missing Dimension” in Douglas Johnston and Cynthia Sampson, eds., Religion, the Missing Dimension of Statecraft (Oxford: Oxford University Press, 1994)

Labels
Kerk & Samenleving > Godsdienstvrijheid > Visie en Beleid

« Terug naar Home