Sla links over

Hoofdinhoud

Aantal keer gelezen434

Contextualisatie door de vroege Keltische kerk

keltisch kruis.jpg

De culturele en religieuze omgeving van de vroege Keltische kerk [4e eeuw na Chr.] was 'heidens'. Hoe gingen christenen hiermee om en wat kunnen we hiervan leren in onze tijd?

 

.
1. Besef van Gods nabijheid

Keltische christenen ontmoetten God in de natuur. Evenals hun ‘heidense’ tijdgenoten waren ze gefascineerd door bergen en heuvels, water, bomen, vogels en andere dieren – en in het algemeen, outdoor spirituality: bidden tussen de bomen of op de heuveltop. Als er kerken werden gebouwd, bleven deze dicht bij de natuur, met veel natuurlijke symboliek vanbinnen en vanbuiten. Meer dan sommige andere christelijke tradities hebben de christelijke Kelten een besef gehad van niet alleen Gods transcendentie, maar ook van zijn immanentie, dat wil zeggen van zijn verborgen, maar niettemin intieme presentie in onze werkelijkheid. Dit alles is volop actueel. Waar neoheidenen vaak in de natuur bij elkaar komen, kunnen christenen dit evengoed doen: bijeenkomsten in parken, op stranden of in bossen.

Verder zien we bij de oude Kelten een besef van de betrokkenheid van de Drie-eenheid bij het dagelijks bestaan van werken en huishouden, zoals blijkt uit bewaard gebleven gebeden en zegeningen. Zij kenden geen scheiding tussen de zondag en de rest van de week. God was ook aanwezig bij het koeien melken of het schoonmaken van de woning.

2. Gastvrije missionaire gemeenschappen

Een belangrijk voorbeeld van de Keltische kerk ligt in de gevarieerde manier waarop men als christelijke gemeenschappen functioneerde in een grotendeels heidense omgeving. Liturgische, pastorale, evangelisatorische en onderwijstaken werden vervuld door teams van mannen en vrouwen, leken en theologen, celibatair levende monniken én gehuwden met regulier werk, die samenleefden in een gemeenschap en van daaruit opereerden. Op allerlei manieren diende men de lokale bevolking – variërend van het aanbieden van voorbede tot het doen van praktische klussen. Ook was men zeer open voor gasten, voor hen werd letterlijk en figuurlijk het beste uit de kast gehaald. Denk hier aan het motto ‘belonging comes before believing’: iemand wil zich eerst ergens thuis voelen en zich als persoon erkend en geaccepteerd weten, voordat hij of zij bereid is zijn of haar geloofsovertuigingen ter discussie te stellen. Dat is mogelijk als je een open christelijke gemeenschap vormt, die gericht is op buitenstaanders. Het vergt een grote omslag voor ons vandaag om zó betrokken te zijn bij andere mensen – het druist in tegen de trends van individualisme, materialisme en hedonisme.

Ook een ‘traditionele’ kerk kan prima gastvrijheid beoefenen, alleen al door het kerkgebouw open te stellen en mensen hartelijk te ontvangen. Vooral oude kerkgebouwen met een premoderne uitstraling zijn in trek. Mensen komen daar voor een moment van rust, bezinning, meditatie of zelfs gebed. Hier kunnen kerkleden op meerdere manieren op inspelen. Men kan passende meditatieve muziek laten horen, afhankelijk van de doelgroep. Ook gedempt licht en kaarsen faciliteren een spirituele sfeer. Aansprekend vormgegeven folders of audiovisuele producties kunnen uitleg geven over het verhaal achter bepaalde objecten in de kerk. Bezoekers blijken het verder te waarderen als ze iets mogen meenemen, zoals korte meditatieve of poëtische teksten, gebedskaarten of steentjes met een Keltisch kruis erop. Verder kunnen kerken op een niet opdringerige manier gebed aanbieden of een gesprek over christelijke spiritualiteit.

3. Kunst, verhaal, symboliek, muziek

Bij het communiceren van het Evangelie aan de heidenen gebruikten de Keltische christenen verhalen, symbolen, beelden en muziek die het heidens-Keltische bewustzijn, hun verbeeldingskracht, intellect en wereldbeeld op een diep niveau aanspraken. Behalve aan verhalen kunnen christelijke gemeenten ook plaats geven aan creativiteit en symboliek. We komen dit bijvoorbeeld tegen in emerging of missional churches – ‘postmoderne’ vormen van kerk-zijn die aansluiting zoeken bij spiritueel geïnteresseerden. Zij nodigen bezoekers uit om actief deel te nemen aan een bijeenkomst: in gesprekken of een dialoog, of door iets te doen op verschillende plaatsen in de gemeenschappelijke ruimte. Bijvoorbeeld bidden, het labyrint lopen, schilderen, muziek luisteren, religieuze kunst beschouwen. De plaatsen van samenkomst kennen geen banken in rijen achter elkaar, maar stoelen of kussens met een open opstelling. Dit bevordert dat je meer van elkaar ziet dan alleen het achterhoofd. Men gebruikt spaarzaam elektrisch licht - kaarsen zijn belangrijker, deze staan voor eenvoud, spiritualiteit, rust en contemplatie. Verder is er veel iconografie te zien, variërend van het Ichthus-symbool tot Keltische kruisen of iconen. Duidelijk is dat niet alleen de preek en het bijbellezen centraal staan; alles in de dienst wordt geacht te ‘preken’ – architectuur, licht, gebeden, geuren, onderlinge gemeenschap. Alle vijf de zintuigen worden aangesproken om een ontmoeting met God te faciliteren.

Het gaat er niet om dingen een op een te kopiëren van de Kelten. Belangrijk is om relaties aan te knopen met buitenkerkelijken en te zoeken naar creatieve mogelijkheden en leiding van de Heilige Geest om hen in contact te brengen met degene die de vrede brengt waar velen naar zoeken: Jezus Christus.

Syncretisme

Op bepaalde punten schoten de Keltische christenen misschien door in het zoeken naar aansluiting bij hun omgeving. De vraag is of dit niet leidt tot ongezonde vormen van syncretisme. Twee voorbeelden:

  • Het heidense lentefeest Imbolc wordt het feest van de christelijke St. Brighid op dezelfde datum. En deze christelijke Brighid was een soort gedoopte heidense Brighid, de Keltische godin van het vuur (het vuur van inspiratie, smeedkunst, poëzie, genezing en voorspelling). Vandaag is Brighid nog steeds populair in neoheidense bewegingen zoals het druïdisme en daarin lijkt ze een hybride figuur: heidens en christelijk tegelijk.
  • De grootste spirituele continuïteit tussen het Keltische heidendom en het christendom was gelegen in de perceptie van ‘geestelijke kracht’ die geassocieerd zou zijn met bepaalde culturele en religieuze plaatsen. Ze hadden respect voor fysieke natuurlijke grenzen – de zeekust, een berg, een rivier – omdat ze daar de nabijheid vermoedde van de ‘andere wereld’ (in christelijke termen: de hemel). Voor hen waren dit boundary places: de ‘sluier’ die de blik van de mens afgesloten houdt voor de bovennatuurlijke wereld ervoer men hier als dun. Men bracht zelf ook grenzen en drempels aan, door bijvoorbeeld kruisen te plaatsen voor kerken en begraafplaatsen, die ook golden als belangrijke ‘grensplaatsen’. Maar wat is het belang van grensplaatsen in het licht van de belijdenis dat de hele wereld aan God toebehoort (vgl. Psalm 24:1)?

Robert Doornenbal
Docent kerk- en zendingsgeschiedenis aan de Christelijke Hogeschool Ede

Overgenomen uit IDEA 3-2011 (nu IDEAZ), magazine van MissieNederland over missionaire gemeenteopbouw. Kijk voor een abonnement op www.missienederland.nl/ideaz

Kernwoorden: Evangelisatie, contextualisatie, Kelten, gemeentestichting

« Terug

Archief > 2011 > december